Er waren eens een man en een vrouw die naast een oude heks woonden. De vrouw was in verwachting en kreeg enorme zin in raponsjes. 

Ze vroeg haar man er een paar te plukken in de tuin van de oude heks. De man durfde dat niet zo goed, maar deed het toch. “Dus jij steelt mijn heerlijke groente?”, hoorde hij opeens de heks krijsen. Van schrik liet de man de plantjes vallen en beloofde dat de heks hun kindje zou krijgen, als zij hem maar liet gaan. Nog die nacht werd het kindje geboren en de heks ging ermee vandoor. Het was een meisje en de heks noemde haar Raponsje. Ze groeide eenzaam op. Niemand mocht haar zien. 

Toen Raponsje was uitgegroeid tot een prachtige jongedame sloot de heks haar op in een toren. Wie weet zou er anders wel iemand met haar willen trouwen! Het mooiste aan Raponsje was haar lange, lange goudblonde vlecht. Wanneer de heks Raponsje in de toren eten ging brengen, zei ze: “Raponsje, hang je vlecht eens naar beneden.” Dan klom de heks langs de vlecht omhoog en bracht haar eten. Op een dag hoorde Raponsje weer: “Raponsje, hang je vlecht eens naar beneden.” Het was een prins, die stiekem de heks was gevolgd en alles had gezien. Hij werd meteen verliefd op Raponsje, maar wat zou de heks doen als zij daar achterkwam…?