Er was eens, lang geleden, een keizer in China die een porseleinen paleis had. De tuin van het paleis was de grootste en mooiste ter wereld. In de tuin woonde een nachtegaal die betoverend mooi kon zingen. 

Op een ochtend kreeg de Chinese keizer een brief van de keizer van Japan. De Japanse keizer wilde graag eens naar het mooie gezang komen luisteren. De keizer riep de hofmaarschalk en zei: “Laat vanavond de vogel voor mij zingen.” De hofmaarschalk wist helemaal niets van een nachtegaal en vroeg aan alle bewoners van het kasteel of zij wisten waar de nachtegaal woonde. “Ik weet het”, zei een dienstmeisje. En samen gingen ze op zoek naar de vogel. Die avond was de keizer diep geroerd over het mooie lied. “Lieve nachtegaal, zeg me wat je wilt hebben en ik zal het je geven.” De nachtegaal zei: “Ik heb tranen in de ogen van de keizer gezien. Voor een zanger is er geen grotere beloning denkbaar.” 

Diezelfde dag nog werd de nachtegaal benoemd tot Hofkeizerlijke Nachtkastjeszanger en verbleef in het paleis en leefde in een gouden kooi. Hij miste zijn vrijheid wel, maar het geluk van de keizer was hem veel waard. Op een dag ontving de Chinese keizer een geschenk van de Japanse keizer. Hij kreeg een ander prachtig vogeltje. Geen echte maar een mechanische vogel. De Chinese keizer was erg blij mee. Dit vogeltje zong misschien nog wel mooier dan de echte. Steeds vaker speelde de keizer met de nepvogel. Dat deed de echte nachtegaal veel verdriet. Hij vloog weg, terug naar de mooie tuin en zijn vrijheid. Zou het vogeltje ooit nog terugkeren…?